Het St. Antoniusaltaar
We vervolgen onze tocht linksom door de kerk en komen bij het St.Antoniusaltaar, stammend uit 1901 en gemaakt naar een ontwerp van Cuypers. De plaats waar het altaar nu staat was vroeger de H.Hartkapel en daaraan herinneren ons nog de ramen boven het altaar, opnieuw gemaakt door Nicolas naar een ontwerp van Cuypers. Op het linkerraam van boven naar beneden afgebeeld: "het Laatste Avondmaal", "het Lam Gods" staande op een berg waaruit zeven stromen (de zeven sacramenten) vloeien, en "Christus in de wijnpers", waarbij Hij zelf door de balk van de wijnpers als de mystieke druiventros wordt neergedrukt, terwijl de wijn, Zijn bloed, uit Zijn wonden stroomt. Op het rechterraam is "Jezus als de Goede Herder" afgebeeld. Hij bevrijdt een schaap uit een doornenstruik. Dit symboliseert Christus die de zondaar van zijn zonden bevrijdt. Vervolgens zien we de "pelikaan met zijn jongen" en "een oude vrouw geknield voor Christus" mogelijk een afbeelding van de verschijning van het H.Hart aan de Franse kloosterzuster Margaretha Maria Alacoque in 1675. Aan de pilaar voor deze kapel vindt men een beeld van St.Jozef met het kind dat afkomstig is uit de oude Petruskerk. Het is in 1830 uit lindehout vervaardigd, vermoedelijk door de Antwerpse beeldhouwer J.B.van Hool. St Jozef wordt hier afgebeeld met het kind aan de rechterhand, zoals de traditie het wil. Als leidsman en opvoeder moet men het kind met de rechterhand begeleiden. In de linkerhand draagt St.Jozef een bloeiende leliestaf als teken van reinheid.
Nu staat hier het bijna levensgrote H.Hartbeeld -in bruikleen gegeven door het bisdom 's-Hertogenbosch- maar oorspronkelijk was dit de St.Antoniuskapel waarin het zojuist bekeken Antoniusaltaar zijn plaats vond. Het is nog te zien aan de ramen die alle drie gebeurtenissen voorstellen uit het leven van de H.Antonius. Opnieuw ramen die geschilderd zijn door Nicolas en opnieuw naar een ontwerp van Cuypers. Vooraleer hierop in te gaan een korte schets van het leven van St.Antonius die bij vele gelovigen grote bekendheid geniet al is het slechts als patroon van verloren zaken. Antonius werd in 1195 in Lissabon geboren uit een Portugese adellijke familie. Op 15-jarige leeftijd trad hij in zijn geboorteplaats in bij de reguliere kanunniken maar vertrok twee jaar later naar een Augustijnerklooster in Coimbra in Noord-Portugal. Daar werd hij priester gewijd en pas enkele jaren later sloot hij zich aan bij de Franciscanerorde, met de bedoeling om als missionaris naar Afrika te vertrekken hetgeen hem wegens ziekte werd verhinderd. Na zijn herstel vertrok hij per boot naar de Spaanse oostkust doch het schip dreef door een storm af en landde in 1221 op Sicilië. Hij trok naar het vasteland en ontmoette in Assisië St.Franciscus, de stichter van de orde waarbij hij zich had aangesloten. Hij studeerde Godgeleerdheid o.a. in Padua en ontwikkelde zich als prediker. Bekend is in dit verband zijn uitroep tegen de ketterse Kartharen: "Gij zijt Gods woord niet waardig en daarom ga ik nu voor de vissen preken". Deze kwamen vervolgens in groten getale aanzwemmen tot bij de oever waar de prediker stond. Een vrome legende verhaalt dat de H.Antonius 's-nachts werd bezocht door het kindje Jezus. Hij wordt dan ook veel afgebeeld met het kindje. Nu over naar de ramen. Links onder zien we de knaap Antonius in gebed voor het beeld van Maria met het kind, erboven de H.Antonius als docent in Bologna. Op het middelste raam onder St.Antonius die intreedt bij de Franciscanen en erboven Antonius op weg naar oost-Spanje. De storm die hem deed afdrijven was de hand Gods die we erboven zien afgebeeld. Op het rechterraam geneest Antonius een blind meisje en daarboven is hij gelegen op zijn sterfbed, omringd door zijn medebroeders. Door een storm uit de koers geraakt, komt Antonius in Sicilie aan
De noorderingang
Het volgende station is de noorderingang waar we naar boven kijkende de in 1955 geplaatste, grote gebrandschilderde ramen van Max Weiss zien. De vroegere ramen naar ontwerp van Cuypers zijn in de laatste wereldoorlog verwoest. Afgebeeld zijn:de geboorte van Jezus, de verheerlijking van Maria en de nederdaling van de Heilige Geest. In tegenstelling tot Cuypers heeft Weiss zich losgemaakt van de symbolische kleuren rood en blauw, zoals we weten "macht en dienstbaarheid". Wel is in het middelste raam een andere traditie voortgezet. De Vader en de Zoon zijn in dit raam evenals Maria ongeschoeid, dit als teken dat ze niet van deze aarde zijn, dus los van de aarde staan.
Onder de ramen zien we nog een tweetal altaarvleugels uit het atelier van Cuypers. Ze zijn in 1903 vervaardigd voor het vroegere H.Hartaltaar en stellen St.Franciscus, St.Theresia van Avila, St.Thomas van Aquino en St.Margaretha voor.
Verder zien we hier ook nog twee schilderstukken, afkomstig uit de oude Mariakapel en omstreeks 1911 geschilderd in het atelier van Cuypers. De stukken hebben als titel "Tu gloria Jerusalem" (Gij zijt de glorie van Jerusalem) -een aanspreektitel van Maria uit de Lauretaanse litanie- en "Tu laetitia Israël" (Gij zijt de vreugde van Israël). De taferelen zijn geïnspireerd door het oud-testamentische boek Judith. Daarin wordt verhaald dat de Assyrische legeraanvoerder Holofernus -opperbevelhebber van de Babylonische koning Nebudkadnessar- de Joodse stad Betulia belegerde en dat de aantrekkelijke vrome Joodse weduwe Judith deze aanvoerder op listige wijze verleidde en onthoofdde. Aldus gaf zij de Israëlieten de gelegenheid om het vijandelijke legerkamp te overvallen en te plunderen en zo het gevaar voor de stad te keren.
Judith wordt geprezen door de hogepriester Jojakim en de oudsten van het volk, die in feestelijke optocht door de stadspoort gaan naar het huis van Judith roepende: Gij zijt de glorie van Jerusalem, de trots van Israël en de roem van ons volk.
Om de bevrijding te vieren kronen de vrouwen zich, nadat de legerplaats van Holofernus geplunderd is, met olijftakken en voeren met Judith een rondedans uit, terwijl de mannen muziek maken.
Achter in de kerk, omgeven door een hekwerk zodat openstelling kan plaats vinden ook als de kerk gesloten is, vinden we de Maria Vreugderijckekapel. Ze is op deze plaats als zodanig ingericht in 1910. Vooraf in het kort de geschiedenis van Maria Vreugderijcke die we met recht de patrones van Oisterwijk zouden kunnen noemen.
Reeds in de middeleeuwen werd in een kapel onder de oude lindeboom nabij het Oisterwijkse gemeentehuis, het genadebeeld van "Onze Lieve Vrouw van Mirakelen ter Linde" ofwel "Maria Vreugderijcke" vereerd. Na een alles verwoestende brand in 1583 leden kapel en beeld grote schade, doch het gerestaureerde beeld in de herstelde kapel genoot nadien even grote verering. Dit notehouten beeld is wellicht afkomstig uit het atelier van de Meester van Koudewater te 's-Hertogenbosch, stamt ongeveer uit de jaren 1470-1480 en is 112 cm hoog. Maria draagt een leliestaf als symbool van zuiverheid en het kindje Jezus draagt een druiventros als teken van het later bij de kruisdood vergoten bloed. Na de reformatie moest de kapel voor de eredienst worden gesloten en werd het beeld ondergebracht bij particulieren aan het Lindeynd en pas aan het begin van onze eeuw weer uit de vergetelheid gehaald. Na de sluiting deed de kapel aan de Lind dienst als Latijnse school (een voorloper van het gymnasium) en daarna als vergaderplaats voor de schepenen en als gemeentehuis. Het beeld, gerestaureerd in het atelier van Cuypers, werd in 1910 weer voor openbare verering vrijgegeven, nu in deze daarvoor speciaal ingerichte kapel in de Petruskerk. Toen het beeld in 1909 werd teruggevonden waren er nogal wat beschadigingen. Zo ontbraken bij Maria de kroon, de staf en de schoenen. Het voetstuk waarop zij staat was afgebrokkeld. Het kind Jezus zat in een gekantelde houding op Maria's arm. Bij het kind ontbraken de handen en de druiventros. Bij het herstel van het beeld is de mantel van Maria verguld. Het goud duidt op Maria als "Vorstinne des Hemels". De zoom van de mantel is gedeeltelijk versierd met stenen, gezet in de vorm van bloemen. Het zeegroene kleed is langs de zomen versierd met in goud en paarsachtige kleuren geschilderde pauweveren. De pauw geldt als het symbool van de onsterfelijkheid en van de opstanding van Christus. De sterren op het kleed van Maria verwijzen naar haar titel "Stella Maris". Het witte onderkleed verwijst naar de kuisheid. Het kind Jezus draagt een gouden kleed. In de linkerhand houdt Jezus een gouden druiventros, het symbool van Zijn bloed en de wijn van de eucharistie. Circa 1935 werd de kapel geheel gemoderniseerd. Bij die gelegenheid werden een viertal opalineschilderingen en nieuwe gebrandschilderde ramen aangebracht, alle van de hand van de Limburgse kunstenaar Charles Eyck. De opalineschilderingen hebben gedeeltelijk rechtstreeks betrekking op de geschiedenis van het beeld. Links is de oude kapel bij de Lindeboom waarin het beeld in de middeleeuwen werd vereerd afgebeeld en daarnaast ziet men hoe pastoor J.v.d.Meijden in 1910 "Maria Vreugderijcke" plechtig in ontvangst neemt, nadat het beeld ongeveer 200 jaar bij particulieren was ondergebracht. Verder de intocht in 1638 van pastoor Maximiliaan van Leefdael in Oisterwijk, tijdens wiens pastoraat het beeld uit de kapel aan de Lind moest verdwijnen, terwijl de kapel zelf werd gesloten en tot slot een afbeelding van de oude abdij van St.Geertrui te Leuven, waarvan de abt het patronaatsrecht over de Oisterwijkse parochie bezat, hetgeen onder meer inhield het recht om pastoors te benoemen. Onder deze afbeeldingen het wapen van Nederland en de wapens van een drietal Oisterwijkse pastoors uit vroeger eeuwen. In de glas-in-lood ramen zijn de vijf blijde geheimen van de rozenkrans afgebeeld, alsmede de verrijzenis van Jezus Christus en de ten hemelopneming van Maria. In 1962 werden Maria en het kind door Mgr.Bekkers met gouden kroontjes, afkomstig uit het atelier van Kloosterman, gekroond. De kronen zijn geschonken door de Oisterwijkse bevolking. De eigenlijke kapel is afgesloten met een door Cuypers ontworpen hek, bestaande uit een eikehouten raamwerk, versierd met gesneden lindebladeren, die refereren aan het beeld van "Maria ter Linde". In het raamwerk zijn zes geciseleerde (=met een steekbeitel bewerkte) gegoten koperen panelen geplaatst, waarvan er vier versierd zijn met opengewerkt traceerwerk, een hoofdje in een medaillon gevat en opnieuw de lindebladeren. In het midden van het hek bevindt zich een poortje dat geflankeerd wordt door twee vierkante, houten zuilen, gedecoreerd met snijwerk. Bovenop een koperen kandelaar. Oorspronkelijk waren de kaarsen op deze kandelaars, naar middeleeuws gebruik, versierd met een schildje. De eenhoorns in het poortje symboliseren Christus. De hoorn betekent macht en sterkte. Christus is de macht en sterkte bij uitstek, hetgeen we terugvinden in het Lam met de zeven hoorns uit het boek "Openbaringen".
De koperen lichtkroon is naar middeleeuws idee. Het is een koper vergulde kroon met gedecoreerde rand en zeven olielampjes (godslampjes). Het randschrift luidt: Ardeo in memoriam et honorem septem gaudiorum beatae Mariae virgines (ik brand in gedachtenis aan en ter ere van de zeven vreugden van de gelukzalige maagd Maria). De zeven vreugden worden gesymboliseerd door de zeven godslampjes.
In de kapel doorlopend naar achter, zien we de in 1957 door Max Weiss geschilderde ramen voorstellende de zeven werken van barmhartigheid. Zes van deze werken vinden we in MattheÜs 25, nl. hongerigen spijzen, dorstigen laven, vreemdelingen opnemen, naakten kleden, zieken verzorgen en gevangenen bezoeken. Het zevende werk van barmhartigheid, het begraven van doden, is later aan deze reeks toegevoegd, wellicht in de periode van de pestepidemieën in de middeleeuwen.
Nu resteren nog de 14 kruiswegstaties verspreid in de kerk, geschilderd door C.Grips. Ze dateren uit de periode 1904 tot 1908. Reeds in de middeleeuwen waren de plaatsen in het H.Land waar Christus heeft geleefd en geleden en waar hij gestorven is, doel van pelgrimages, maar ze waren slechts bereikbaar voor de weinigen die daarvoor de tijd en het geld hadden. Daarom werden in de kerken ter verering en overweging, de verschillende fasen uit het lijden van Jezus afgebeeld en daaruit ontstonden de nu bekende 14 kruiswegstaties. Jezus neemt het kruis op de schouders
De koperen kroonluchter
Voorts nog de gigantische koperen lichtkroon, midden in de kerk.Hij draagt als opschrift "Fulgens Corona" (schitterende kroon) naar de titel van de encycliek van Paus Pius XII uitgegeven bij de dogmaverklaring in 1954 van de opneming van Maria in de hemel. De kroon is vervaardigd in het atelier van Kloosterman in Tilburg.