Tijdens het pastoraat van Hubertus van Heesbeen (1891-1903) kreeg de bekende bouwmeester dr.P.Cuypers opdracht tot het ontwerpen van een nieuw kerkgebouw voor Oisterwijk. De architect ging hierbij uit van het grondplan van de oude Lieve-Vrouwekerk te Trier, het vroegste gotische kerkgebouw in Duitsland. Zo kwam de neo-gotische kruisbasiliek tot stand, die we nu kennen. De aannemer voor de bouw van dit godshuis werd de parochiaan P.Versteyne, die het gigantische werk op zich voor de somma van ¦.131.773,- waarin begrepen de kosten van afbraak van de oude kerk.
Naar een oude christelijke traditie is de kerk naar het oosten gericht; dat betekent, dat het priesterkoor gesitueerd is aan de oostzijde, de richting van het heilige land waar Jezus Christus heeft geleefd en werd gekruisigd.
Komende in de kerk, valt onmiddellijk de ruimtewerking op, die Cuypers tot stand bracht door het toepassen van een combinatie van lang- en centraalbouw. Deze combinatie werd door de bouwmeester eveneens, zij het op iets kleinere schaal, toegepast in de bekende Amsterdamse "Vondelkerk". Evenals daar vindt men in het Oisterwijkse ontwerp verscheidene halfronde uitbouwen voor kapellen en altaren.
In 1905, op 78-jarige leeftijd, werd Pierre Cuypers zo getekend door Th Molkenboer.
De plattegrond van de kerk
Tot ver buiten Oisterwijk is de zware vieringstoren met de achthoekige spits en de pittoreske hoektorentjes zichtbaar. Deze toren rust op een viertal zware natuurstenen zuilen in het midden van de kerk. De kerk is ruim 50 meter lang en bijna 38 meter breed. De torenhoogte is 67,50 meter. In de toren hangt een carillon met 42 klokken en klokjes.
Tijdens de bevrijding van Oisterwijk in oktober 1944 werd de Petruskerk en vooral de toren door granaatvuur zeer zwaar beschadigd.
Herstel volgde in de jaren 1945-1946. Een nieuwe grondige restauratie volgde in 1970 waarbij de kerk tevens werd aangepast aan de vernieuwde liturgievormen. In 1973 werd de kerk op de Rijksmonumentenlijst geplaatst als een belangrijk voorbeeld van de neo-gotiek.
Een kleine wetenswaardigheid is dat men in de Romeinse basilieken aan de rechterzijde, dus aan de zuidzijde het zgn. "Senatorium" of mannenpand kende, de zitplaatsen voor de belangrijke mannen zoals senatoren, alsmede voor de monniken. Aan de linker- of noordzijde bevond zich het "Matronaeum" of nonnenkoor, de plaatsen bestemd voor zusters en hooggeplaatste dames. Hieruit ontstond in latere kerken de zgn. mannen- en vrouwenkant, die op veel plaatsen bestaan heeft tot na de tweede wereldoorlog. Nu bestaat deze scheiding niet meer maar toch worden we er op één plaats in onze kerk nog aan herinnerd. In de ramen van de kooromgang vinden we -op een enkele uitzondering na- de vrouwelijke heiligen aan de linkerzijde van het altaar.
We zullen onze rondgang door de kerk beginnen ter rechterzijde van de hoofdingang bij de doopkapel. De ligging direct naast de hoofdingang houdt verband met een kerkelijk decreet van 1879 waarin is voorgeschreven dat de doopvont achter in de kerk wordt geplaatst, zo mogelijk aan de zuidzijde van de hoofdingang. Deze plaats bij de ingang symboliseert de opname van de mens in de kerkgemeenschap door het doopsel.
De doopvont is door Hendrik v.d.Geld vervaardigd in 1896-1897, waarschijnlijk naar een ontwerp van architect Cuypers. Het eigenlijke doopbekken is van marmer (blijkens de signatuur op het zeshoekige bekken, van de hand van J.Schuhmacher uit Den Bosch) en wordt afgesloten door een eikehouten neo-gotische torendeksel. Hierop ziet men een beeldengroep voorstellende de doop van Christus in de Jordaan door Johannes de Doper. Op de zes hoeken van de marmeren rand de uitgehouwen symbolen van de evangelisten: rund (Lucas), leeuw (Marcus), adelaar (Johannes) en mens (Mattheüs). Deze symbolen zijn ontleend aan het laatste bijbelboek: de Apocalyps. Aan de achterkant nog een pelikaan die met zijn eigen bloed zijn jongen voedt (Christus) en een draak (de duivel die tegen het bekken opklimt in een wanhopige poging om de dopeling er van te weerhouden zich te laten dopen). Deze laatste voorstellingen symboliseren de strijd om de mens tussen Christus en satan. Tussen de afbeeldingen lezen we de latijnse tekst: "Euntes docete omnes gentes, baptizantes eos", een verkorte versie van de evangelietekst (Matth.26) "gaat en onderwijst alle volken en doopt hen".
De doopvont
De ramen boven de doopvont. Het linkerraam toont de H.Geest in de vorm van een duif, vanwaar zeven stralen uitgaan naar een doopvont, dit als symbool van de zeven gaven van de H.Geest, die worden uitgestort over de dopelingen: wijsheid, verstand, raad, sterkte, wetenschap, godsvrucht en vrede des heren. Daarbij de tekst "vas spiritualis" of "geestelijk vat", een der aanroepingen uit de litanie van O.L.Vrouw, omdat de moeder Gods al deze gaven in volmaakte vorm bezat. Eronder de St.Pieter in Rome als symbool van de hele kerk. Boven in het rechtse raam ziet men drie schijven met de woorden "Pater", "Filius" en "Spiritus" (Vader, Zoon en Geest). Ze zijn gegroepeerd om een middelste, iets donkerder schijf met het woord "Deus" (God). Dit is een symbolische weergave van de H.Drievuldigheid. Daaronder het reinigende water gesymboliseerd door de zeven stromen en de ark van Noach. De ramen werden in 1897 naar ontwerp van Cuypers vervaardigd in het atelier van glazenier Nicolas te Roermond.
De biechtstoel
In de volgende kapel vinden we de barokke biechtstoel een heden ten dage weinig gebruikt meubelstuk. De biechtstoel in onze kerk werd in 1849 vervaardigd in het atelier van Hool te Antwerpen en komt uit de oude -in 1895 afgebroken- Sint Petruskerk. Er staan een drietal beelden op. Links ziet men de Tsjechische heilige Johannes van Nepomuk, de martelaar van het biechtgeheim. Rechts de heilige Maria Magdalena, de zondares die door Jezus zelf tot inkeer werd gebracht en die -volgens de vrome traditie- haar gehele verdere leven boete deed voor haar zondige verleden. Ze is afgebeeld met een doodskop (bezinning) en een gesel (boete). Boven op de biechtstoel staat het derde beeld: koning David, rouwmoedig na zijn overspel met Betsabe, de vrouw van de legerleider Urias. David draagt de harp, waarop hij zijn eigen boetepsalmen begeleidde. De twee zittende engelen dragen passiewerktuigen ten teken: "Weet dat Jezus lijdt door de zonden". De linker engel draagt de rietstaf en spons, waarmee de Verlosser op het kruis met azijn werd gelaafd, de gesel en de lans waarmee het H.Hart werd doorboord, rechts de geselpaal.
De ramen, gemaakt in het atelier van Nicolas naar een ontwerp van Cuypers, hebben oorspronkelijk aan de overzijde in de kapel van O.L.Vrouw Vreugderijcke gestaan en stellen alle Maria-taferelen voor. Zo ziet U de boodschap van de Engel, de boom van Jesse (de stamboom van Jezus) en de overwinning van O.L.Vrouw op de paradijsslang.
"De boom van Jesse" is het symbool van de menselijke afkomst van Jezus Christus. Het symbool steunt op een tekst van de profeet Isaïas: "dan zal een twijg aan de stronk van Jesse ontspruiten en een scheut uit zijn wortel ontkiemen" (hfdst.11). Zoals overal is Jesse -de vader van koning David- ook in onze gebrandschilderde boom, afgebeeld als een oude liggende man, uit wiens zijde een boom ontspruit. Op de takken zien we onderaan rechts koning David met de harp en links diens zoon koning Salomon, de wijze. De boom geeft slechts zes voorvaderen van Maria en is dus onvolledig. Ze is duidelijk bedoeld als symbool en niet als historisch gegeven. De min of meer volledige stamboom van Maria wordt vermeld in het Mattheüs-evangelie. Boven in de boom troont Maria met het kind Jezus. Dit en de beide aangrenzende ramen zijn in 1910 ontworpen door architect Cuypers en werden uitgevoerd in het uit 1855 stammende Roermondse atelier van de glazeniersfamilie Nicolas. De ramen werden toen geplaatst in de kapel van Maria Vreugderijcke aan de overzijde van de kerk. Onder de boom van Jesse is (moeilijk zichtbaar door de biechtstoel) een afbeelding van aartsmoeder Eva, die van de paradijsboom de verboden appel plukt en zo de zonde in de wereld brengt. Maria zal als "een tweede Eva" en als laatste tak aan de boom van Jesse, het kind ter wereld brengen dat de zonde zal overwinnen.
Onze volgende halte is bij de tentoonstellingsvitrines. Naast oude paramenten ziet U hierin oud liturgisch vaatwerk, kandelaars, relikwieën en een schitterend oud missaal. Omhoog kijkend ziet U drie schilderstukken stammende uit 1839-1840. Ze zijn van de hand van de Antwerpse schilder Baron Gustave Wappers. Het middelste en grootste doek stelt voor de aanbidding van het Kerstkind door de drie wijzen uit het Oosten. Drie wijzen die -traditioneel- de drie toenmaals bekende werelddelen symboliseerden: Europa, Azië en Afrika. Vanwege dit laatste continent wordt een der wijzen als zwarte koning voorgesteld. Het linker doek stelt voor de H.Dominicus die het kindje Jezus op zijn schoot heeft en van de H.Maagd de rozenkrans ontvangt. Ter rechterzijde tenslotte zien we de verrezen Christus die het brood breekt met de leerlingen uit Emmaus. De schilderstukken werden in 1840 voor ¦.1.200,- als altaarstukken aangekocht en vonden een plaats in de oude -in 1895 gesloopte- Petruskerk. Bij de beschieting van de toren in 1944 leden de doeken ernstige schade. In 1949 werden ze grondig gerestaureerd.
De aanbidding van het Kerstkind
Nog verder omhoog kijkend zien we de grote gebrandschilderde ramen, stammende uit 1954 en gemaakt door de kunstenaar Max Weiss. In alle afbeeldingen speelt de parochiepatroon een rol. Links herkennen we de wonderbare visvangst, waarbij Christus aan de apostelen en dus aan St.Petrus, voorspelt dat zij in de toekomst mensen zullen vangen. U ziet St.Petrus onderaan in het middelste raampaneel met de okerkleurige mantel. In het middelste raam worden St.Petrus en de andere apostelen ter prediking uitgezonden. Enkelen hebben de reisstaf reeds in de hand. Rechts ziet men het tafereel -na de verrijzenis van Christus- waarbij de apostel Petrus wordt aangesteld tot hoofd van de kerk met de woorden: "Leidt mijn schapen". Die schapen ziet men links onder, terwijl in het midden bovenaan wederom de St.Pieter te Rome is afgebeeld als symbool van de gehele kerk.